Jesaja 64 : 1a

De profeet verplaatst ons naar de tijd, dat de Joden in ballingschap te Babel waren. Velen van hen schikten zich in de omstandigheden, vergaten hun vaderland en verloochenden hun afkomst. Doch er was een overblijfsel naar de verkiezing der genade, dat daaraan niet kon meedoen. Die rest treurde niet alleen om de loop van de gebeurtenissen, maar bovenal om het feit, dat zij door eigen schuld van Jehova gescheiden waren. Zij kregen te belijden bij het ontdekkend Geestes-licht: ”Door onze zonden en ongerechtigheden zijn wij God kwijt.” Bij de ontdekking aan eigen misdaden voegde zich evenwel onder de aandrijving van de Geest de begeerte naar genade, naar een wederkeren in de gemeenschap van de Eeuwige; zo rees de bede: ”Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.”

Wij zijn in de Adventstijd en het ware Adventsvolk legert daar, waar het overblijfsel in Babel gelegerd was. Zij zijn waar gemaakt, zodat zij zichzelf moeten verfoeien en beven voor ’s Heeren heiligheid; zij leren echter ook uit hun lage staat de ogen op te heffen naar de hemel met de smeking, dat de Heere Zich nog genadig ontdekke.

“Dat Gij nederkwaamt”; uit Jesaja 64 blijkt, dat de Joden dachten aan de dagen van Mozes; toen daalde Jehova neer, om Israël uit Egypte naar Kanaän te leiden, toen sidderde de Sinaï bij de wetgeving, toen versmolten de vijanden voor Gods Aangezicht.

En nu werd in Babel gevraagd, dat het mocht zijn als in die verre tijden. 

Voorheen hadden de Joden in hun benauwenissen naar links en rechts gezien; zij hadden het verwacht beurtelings van Assyrië en Egypte. Het overblijfsel echter had afgeleerd op vlees te betrouwen, gans hulpeloos en ontbloot mocht het de toevlucht nemen tot de Enige, Die heil kan zenden.

Zij woonden in het land, waar eens de toren van Babel werd gebouwd; de mensen wilden van de aarde uit de hemel bereiken en het werd een droeve mislukking; het overblijfsel erkende, dat er slechts dan verwachting kan zijn, wanneer de Hemel zich neerbuigt tot de aarde. Dit is ook de houding van de Adventsgemeente; Gods volk ziet van allen en alles af, om enkel op de Heere te letten. Het heil moet van Boven neerdalen en als het vandaar niet komt, is er geen heil. 

De bede van onze tekst was door Jehova Zelf in het hart van Zijn gunstgenoten gelegd, daarom vond zij ook verhoring. Cyrus (of Kores), de koning van Perzië was Gods knecht; in hem daalde de Allerhoogste ter verlossing neer; door hem immers kregen de Joden vrijheid om naar hun vaderland terug te gaan. Doch een rijkere verhoring nog vond plaats in de Kerstnacht van Bethlehem.

Toen scheurden de hemelen om de lofzingende engelen door te laten; toen kwam de Oppermajesteit neder in de Zoon des welbehagens om al de Zijnen aan duivel en dood te ontrukken. Bij ogenblikken krijgt Gods volk daarvan te genieten. Toch blijven zij de Advents-bede opzenden, opdat hetgeen ten dele is vervangen worde door het volmaakte.

Met de Adventsbede eindigt dan ook de Heilige Schrift: “Kom, Heere Jezus” en de verzekering is er bijgevoegd: “Ja, Ik kom haastiglijk.”       

Wijlen Ds. E. van Meer