Ik ga heen tot de Vader (Joh. 14:28)
De Heere Jezus ziet steeds op de vrucht. ‘Ik ga heen tot de Vader!’ zegt de Heere Jezus. Tot welke Vader? Hij zegt niet: ‘Tot Mijn Vader!’ maar Hij zegt: ‘Tot de Vader!’ Dan spreekt Hij immers als uw Broeder! Dan spreekt Hij zoals een, die niet anders weet, dan dat Zijn Vader uw Vader is; als een, die denkt: Ik ga tot de Vader, en u komt Mij na. De Heere Jezus gaat echter door de dood heen tot de Vader. Wanneer nu de Heere Jezus voor ons gestorven is, dan hebben wij in Zijn dood de dood van onze dood, dan hebben wij in Hem leven en gerechtigheid. En met Zijn Woord: ‘Ik ga heen tot de Mijn Vader en tot uw Vader!’, ademt Hij in het hart van de Zijnen een machtige troost. Wat is uw sterven, kind van God? Het is een gaan tot de Vader, niet alleen in het huis van de Vader, maar tót de Vader. Nu heeft de Heere Jezus ook gesproken: ‘Ik zal u geen wezen laten.’ Dus hier beneden zijn wij wezen. Ons vaderland is niet hier. Ons vaderland is bij de Vader. Dus: Ik ga tot de Vader! Nu dan zijn daar immers open armen, een open liefhebbend Vaderhart, een Vaderschoot. Dan kust Hij mij met de kus van Zijn mond, en troost mij voortdurend daarmede, zeggende: ‘Ei, Mijn lief kind, zie toch, wat hier voor schone bloemen gesproten zijn uit al de tranen die u in uw vreemdelingschap gestort hebt.’
Dus de Heere Jezus gaat tot de Vader, en daar wil Hij woningen bereiden. ‘In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen’, heeft Hij eens gezegd. Hoe moet ik dat verstaan? Ja, u denkt wellicht dt u in de hemel al uw oude dingen zult terugvinden. Daar zegt nu de Heere Jezus: ‘Als u tot de Vader gaat, dan laat u dat alles hierbeneden, en daarboven is een nieuwe woning voor uw bereid met de kostbaarste meubelen; daar is louter vrede en vreugde en een afwissen van de tranen. Dat bereid Ik voor u daarboven. U zult daar geen toorn en zonde, geen schuld en straf, ook geen leed, noch tranen, noch dood vinden, maar u krijgt daar een geheel nieuwe woning.
Ds. H.F. Kohlbrugge