Wordt deze wereld niet gelijkvormig

(Romeinen 12:2)

De lieden van de wereld zijn een reden, waarom Gods volk deze wereld, of de praktijk van hen, die daarin zijn, niet moet gelijkvormig zijn. Het verhardt toch de goddelozen in hun goddeloosheid, wanneer zij zien, dat belijders van de godsdienst, zij die een naam van godzaligheid hebben, zich bij haar voegen, of te gemeenzaam met haar omgaan. Deze wereldgelijkvormigheid aan de wereld is daarom schadelijk voor de goddelozen in de wereld; zij zullen zichzelf in hun goddeloze

wandel toejuichen, wanneer dezulken, die de naam hebben dat zij God vrezen, zich met hun vergezelschappen. Zo weigerde Samuel met Saul weder te keren, toen hij Agag gespaard had: “Doch Samuel zeide tot Saul: Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het Woord des HEEREN verworpen hebt, zo heeft de HEERE u verworpen, dat gij geen koning over Israël zult zijn.” (1 Sam. 15:26). Zo ook moesten zij, die God vrezen, tot de goddelozen zeggen: Gij hebt des HEEREN woord verworpen, daarom zal ik niet met u wederkeren, Ik zal niet met u samen gaan. Indien gij u bij de verkeerden voegt, bewijst gij de ondeugd te veel eer. Indien gij u met de zondaar verbindt, geeft gij de zonde teveel aanmoediging. Daarom is het somtijds het beste bewijs van liefde voor de goddelozen, dat wij hen niet aanzien en ons van hun gezelschap onttrekken. Ja, dat wij weigeren om met hen om te gaan, kan een middel zijn om hen te verbeteren.

De god van deze wereld is een andere reden, waarom Gods volk deze wereld niet gelijkvormig behoort te worden. De god van deze wereld is de duivel; deze wereld gelijkvormig zijn is gelijkvormigheid aan de duivel; de wereld liefhebben is een aanbidden van de duivel; daarom, gelijk gierigheid afgodendienst wordt genoemd, zo verzocht de duivel Christus, om hem te aanbidden, door de wereld aan te bieden; “Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij nedervallende mij zult aanbidden”, (Matth. 4:9). Deze wereld is de wandelplaats des duivels, welke hij doorwandelt; ja hij gaat daarin om als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden, en als een kronkelende slang, wie hij zou mogen bedriegen. Wanneer wij, onder de goddelozen van deze wereld, met de goddelozen gemeenschap hebben aan hun onvruchtbare werken der duisternis, ons op des duivels grondgebied bevinden, is het één tegen duizend, als satan ons niet door zijn listigheid bedriegt en ons langzamerhand gevangen neemt. Evenals dieven gewoonlijk een klein persoontje door het venster heen helpen, om de deur voor de anderen open te doen, zo vertoont de duivel ons een appel, of een gouden voorwerp; of hij fluistert ons een besmettend woord of vermoeden in; dat zijn de deuren van het huis en die kleine dieven zullen de deur open doen en overspel, hoererij, diefstal, gramschap, doodslag enz. inlaten. De verzoeken des duivels schijnen in het eerst beleefd en zedig te zijn. Gelijk Semiramis van Ninus begeerde slechts een dag te mogen regeren, en die dag te mogen doen wat haar behaagde, wat haar lustte, waarvan zij, nadat haar dit verzoek was ingewilligd, gebruik maakte, om hem die dag te onthoofden; zo ook zal de duivel, de god van deze wereld, begeren slechts een dag te regeren’ of dat gij een dag aan hem en de wereld, en de ijdelheden, en dwaasheden, en ondeugden van de wereld wil wijden; doch ziet, het kan zijn, dat hij juist op die dag uw hoofd afhouwt, uw ziel onthoofdt, door uw hart en uw genegenheden van God af te trekken. 

Het gehele samenstel van deze wereld en de dingen der wereld leveren een samengestelde reden op, waarom wij deze wereld niet gelijkvormig moeten worden. De gehele wereld toch ligt in het boze; want al wat in de wereld is, de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, zijn niets dan afval en vodden der hel. In één woord, de wereld is maar een verachtelijk ding. Christus heeft verachting en schande over haar uitgestort, als Hij zeide: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld.” Het is niets om door de wereld veracht te worden, en bij haar in ongenade te vallen, ja, dat is somtijds de ere des mensen; maar als Christus iets minacht en veracht, dat ligt er wezenlijk schande op; en waarom zouden wij haar dan gelijkvormig zijn? De wereld is een verdwijnend ding; de klok van de tijd is bijna afgelopen, en binnenkort, zal zij in de eeuwigheid worden afgewikkeld. Als iemand een huis, of een boerderij, maar voor twee of drie dagen had gepacht, en hij zou beginnen te bouwen en te planten zou men niet oordelen, dat zo iemand dwaas was? Zo ook, aangezien onze tijd hier zo kort en onzeker is, en de dood ons zo aanstonds van het toneel zal afvoeren, is het niet de grootste dwaasheid, onmatig te dorsten naar de vermaken, voordelen, eerbewijzen en ijdelheden der wereld? Zij is veroordeeld om te gaan, en eerlang zal zij geheel in vlammen opgaan. De wereld is maar een ijdel ding: “Een ieder mens is in zijnen besten staat enkel ijdelheid”, namelijk in zijn meest voorspoedige staat. Voorspoed wordt in de Schrift bij een kaars vergeleken, en velen hebben aan deze kaars hun vleugels verbrand. De wereld bedriegt allen, die op haar verzot zijn; zij belooft vermaak, maar kan het niet vervullen, want geen degelijke voldoening kan in haar worden gevonden. De vereerders van deze wereld zijn maar een troep bedrogen dwazen: “Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan?” Wanneer de wereld u schoon toespreekt, gelooft haar niet, want zeven gruwelen zijn in haar hart, haar grootste heerlijkheid is maar een verdwijnende schaduw. De wereld is een schadelijk ding, en er is weinig noodzaak, dat wij haar gelijkvormig zijn; haar gewoonten verstikken het goede zaad van het Woord, zodat het niet kan groeien. De dingen van deze wereld zijn de valse misleiding waarmee de duivel onze ogen verblindt, zodat wij de heerlijkheid des Heeren niet zien. De god dezer eeuw heeft de ogen van de ongelovigen verblind: het is het aas, dat zo menige vis in het net van de duivel trekt, waardoor hij hen betovert, tot zij in de put van het verderf terechtkomen.

ds. R. Erskine