Hoe wij de dag moeten doorbrengen met God.

‘U verwacht ik de ganse dag.’ (Psalm 25 : 5)

Wie is er van ons, die dit waarlijk zeggen kan? Die een leven leidt in gemeenschap met God, dat zozeer onze taak en onze zaligheid is? Hoever staan wij af van de gezindheid van de heilige David, hoewel wij bij ons kennen van God over veel betere hulp beschikken dan de heiligen toen, door de openbaringen en de voorspraak van Christus. Opdat de zwakke, oprechte christenen daarom toch niet zullen wanhopen, worden zij eraan herinnerd, dat David zelf ook niet altijd in zulk een gemoedsgesteldheid verkeerde, dat hij  dit kon zeggen. Hij had zijn gebreken en was toch een man naar Gods hart. Wij hebben onze gebreken, maar als wij ze oprecht betreuren en ertegen strijden, en onze ziel gewoon is zich naar God en de hemel te richten, dan zullen wij door Christus worden aangenomen, want wij zijn niet onder de wet, maar onder de genade.

Hoe het ook zij, de betuiging van David in de tekst laat ons zien, hoe onze praktijk moet zijn: wij moeten God de ganse dag verwachten. Dit betekent tweeërlei; een geduldig verwachten en een voortdurende oplettendheid.

Hier wordt gesproken van een geduldig verwachten van Zijn komst tot ons in een weg van barmhartigheid. ‘De ganse dag’ moet dan figuurlijk worden opgevat als de ganse tijd, dat de gewenste en verlangde barmhartigheid op zich laat wachten. David bad in het eerste gedeelte van het vers om Goddelijke leiding en onderrichting: ‘Leid mij in Uw waarheid en leer mij!’ Hij was het spoor bijster en begeerde zeer om te weten wat God wilde, dat hij zou doen, en hij was bereid om dat te doen. Maar God liet hem in onzekerheid, het was hem niet duidelijk wat de bedoeling en de wil van God was, welke richting hij moest gaan en hoe hij moest afzien van zichzelf. Zal hij daarom verder gaan zonder Goddelijke leiding? Neen: ‘U verwacht ik de ganse dag,’ zoals Abraham op zijn offer paste vanaf de morgen totdat de zon onderging, voordat God hem een antwoord gaf op zijn vragen aangaande zijn zaad (Gen. 15:5,12), en zoals Habakuk op zijn wachttoren stond om te zien welk antwoord God hem zou geven, toen hij de Godsspraak raadpleegde, en hoewel het niet terstond komt, zal Die toch tenslotte spreken en niet liegen. In de woorden, die aan de tekst voorafgaan, had David God de God van zijn heil genoemd, de God op wie hij vertrouwde voor zijn heil, zijn tijdelijk en eeuwig heil; van Wie hij  verlossing uit zijn toenmalige ellende verwachtte uit de benauwdheden van zijn hart, die zich wijd hadden uitgestrekt (vers 17), en uit de handen van de vijanden, die gereed stonden om over hem te triomferen (vers 2), en die hem haatten met een wrevelige haat (vers 19). In de hoop, dat God zijn Redder zal zijn, besluit hij om Hem de ganse dag te verwachten, als een echte zoon van Jakob, die stervende beleed: ‘Op Uw zaligheid wacht ik, Heere’ (Gen. 49:18).

Soms is God Zijn volk vóór met de zegeningen van Zijn goedertierenheid; vóórdat zij roepen, antwoordt Hij hun, en Hij is in het midden van Zijn Kerk om haar te helpen en dat zeer vroeg (Psalm 46:6). Maar op andere tijden schijnt Hij van verre te staan, Hij stelt de verlossing uit, en Hij laat hen er lang op wachten, ja, in onzekerheid daarover: het licht is noch helder, noch duister, het is dag, dat is alles. Het is een bewolkte en donkere dag, en pas in de avond wordt het licht en komt de troost, waarop zij de ganse dag hebben gewacht. Ja, misschien komt het pas diep in de nacht: het is middernacht, dat de roep weerklinkt: ‘Zie, de Bruidegom komt.’ De bevrijding van de Kerk uit al haar moeiten, de goede afloop van haar worstelingen en het rusten daarvan, een bevrijding van de roede van de goddeloze, en de vervulling van alles wat God dienaangaande beloofd heeft, dat is het wat wij ootmoedig en aanhoudend van God moeten verwachten, zonder wantrouwen of ongeduld. Wij moeten Hem de ganse dag verwachten.

M. Henry