“Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.” Hooglied 1:2-3

Verlangen naar de Bruidegom

Waar begint het boek Hooglied mee? Met de bruid of de Bruidegom? Na de aanhef van het boek in vers 1, begint dit boek met de bruid, want zij is als eerste aan het woord. Of toch niet? Nee, toch niet, want als de bruid als eerste het woord heeft, is dat een woord dat direct tot eer en heerlijkheid van de Bruidegom is.

Hooglied begint zodoende met de Bruidegom. Het gaat van meet af aan om Hem. ‘Hij kusse mij met de kussen Zijns monds.’ Deze woorden drukken het verlangen naar Hem uit. Er is geen heerlijker liefde en omgang denkbaar dan de omgang met Hem.

Wanneer wij mensen elkaar omhelzen en kussen, doen wij dat omdat er een onderlinge band is. Normaal gesproken kussen wij geen vreemde en de meest innige omhelzingen en kussen nemen we alleen in ontvangst van degene met wie wij het meest innig verbonden zijn.

Zo is er een innige band tussen de bruidskerk en de Bruidegom. Niet een onbewuste, maar een levende en kennelijke band, gelegd door de Bruidegom Zelf. Zijn liefde overwon het boze vijandige hart en wekte een wederliefde tot Hem op. Die tere omgang met Hem was zo heerlijk, zodat het gemis ervan doet uitroepen met verlangen: ‘Hij kusse mij, met de kussen Zijns monds.’

Roepen tot de Bruidegom

Gods kind weet waar het naar verlangt. Nadat het verlangen naar Hem wordt uitgedrukt, begint de bruid tot Hem te roepen. Waar een verlangen is naar Christus, daar is ook een roepen tot Christus. ‘Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben u de maagden lief.’

De bruid heeft er niet genoeg aan om te weten dat haar Man haar liefheeft, maar wil dat ook ervaren. Veel christenen zijn tevreden met een rationele kennis. Een droge wetenschap zonder de bevindelijke kennis, gewerkt door de Heilige Geest. Blijkbaar zijn zij vreemd van de liefde van de Bruidegom. Die liefde werkt immers wat uit, doet verlangen en doet roepen. De bruid van Christus kan er niet genoeg aan hebben te weten met Hem te zijn verenigd door het geloof, maar zoekt die omgang met Hem. O, als ik die liefde van Hem mag proeven, zal mijn ziel meer versterkt worden dan door wijn. Ja, de wijn van Christus’ liefde mag mijn ziel dronken maken, opdat mijn liefde tot Hem mijn oude ik voor een ogenblik doet verdwijnen.

Nu wordt direct duidelijk waarom u dit heerlijk Bijbelboek in uw Bijbel hebt staan. Het gaat om de eer en heerlijkheid van de Bruidegom, door de bruid gezien en geprezen in de oefening van die gemeenschap met Hem. Wie zonder die kennelijke gemeenschap met Hem meent te kunnen leven en te kunnen sterven, bedriegt zichzelf. Maar, wie eenmaal door het geloof in de gemeenschap met Christus is opgenomen, zal er nooit meer uit kunnen vallen. Die heeft deel aan Zijn zoenbloed en aan Zijn Geest. De grote Toepasser van al Christus’ verdiensten en de Heiligmaker, Die het hart vernieuwt.

Eeuwig wonder, ziende op onszelf. Het is Christus Zelf, Die Zich een bruid verwerft en het is Christus Zelf, Die Zijn bruid reinigt en het is Christus Zelf, Die hen brengt in die eeuwige heerlijkheid. Amen.

M. van Sligtenhorst, V.D.M.