Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.’

(Psalm 55:7)

David zit in de knel. De vijanden omringen hem wanneer Absalom naar de troon dingt. Zelfs Davids raadsman pleegt verraad. Iemand met wie hij geestelijke gesprekken had gevoerd. 

De koning gaat gebukt onder deze zware omstandigheden. Verschrikkingen van de dood zijn op hem gevallen (vs. 5). Een dikke deken van gruwel en bedrog hindert hem in alle opzichten en drukt zijn ziel neer. 

Wie in de knel zit, verlangt naar ruimte. Als we iets van knellende omstandigheden weten, dan kunnen we David enigszins aanvoelen. 

Hij verlangt te kunnen vluchten en roept het in wanhoop uit: ‘Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.’ Het lijkt een wanhoopskreet. Zo zouden we deze verzuchting van David kunnen opvatten. Toch heeft deze wanhoopskreet meer in zich dan we in eerste instantie zouden bevroeden. 

Wat een gepast beeld gebruikt David hier. Hij verlangt naar vleugels om weg te kunnen vliegen. Niet zomaar vleugels, maar die van een duif. Hij weet ook waar hij naar toe zou gaan. Dat blijkt uit de volgende verzen. David kan op het moment de stad niet ontvluchten, maar in geestelijk opzicht krijgt hij vleugelen als van een duif. Dat blijkt wel uit het geheel van deze Psalm. Hoewel we de verzuchting van ons vers allereerst zouden kunnen lezen als een wanhoopskreet, geeft de Psalm als geheel en ook het getuigenis van de gehele Schrift ons aanleiding om er meer in te lezen. Deze verzuchting van David geeft een bijzonder beeld van het gebed als middel om de toevlucht te nemen tot God. 

David vraagt om vleugels als van een duif. De duif is een rein dier. De duif heeft ook een bijzonder schoonheid (Hooglied 2:14). De duif is in de Bijbel ook het beeld van de kerk en van de Heilige Geest. De Geest daalde immers in de gedaante van een duif neer op Christus (Mattheus 3:16; Lukas 3:22; Joh. 1:32).

Wie gerekend wordt tot de kerk van Christus, die is een duif. Weet u daarvan door de werking van de Heilige Geest, die in Christus als ons Hoofd en in Zijn leden, als in Zijn lichaam woont? Dan mag u met David bidden om vleugels als van een duif. Dan kunt u in zeer moeilijke omstandigheden verkeren en toch door genade opstijgen met de vleugelen van het gebed. Dan kunt door de Geest op hoogten komen, waar u nog nooit geweest bent. 

De vleugelen als van een duif zien op de gave van het gebed, een gave van de Heilige Geest. Nu is de duif een van de snelste dieren op aarde. Het schijnt dat de duif onder goede omstandigheden wel een snelheid weet te bereiken van 130 km/h en dat duiven soms wel 15 uur achter elkaar kunnen vliegen. Hoe dan ook, David mag in geestelijk opzicht zijn vleugelen uitslaan en de toevlucht nemen tot Zijn God. Daar is grond voor, want wij hebben geen Hogepriester die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden (Hebr. 4:15). In Christus mag er vrijmoedigheid gevonden worden om toe te gaan naar de troon der genade. 

Dat die vleugelen van het gebed aan David gegund zijn, blijkt wel uit de woorden van vers 17-24. Het beeld van de vluchtende duif gaat verder in vers 8. Waar zou David nu wel willen verblijven (vs. 7)? Hij zou wel willen vernachten in de woestijn. Daar kan de duif zich verbergen in de kloven van de steenrotsen. Roofvogels kunnen daar geen kwaad doen. De storm en de wind kan er wel gehoord worden, maar kan de duive Gods niet beschadigen (vs. 9). 

Waar vindt mijn ziel toch verberging in smart, zorg en vrees? In de rotsteen Christus. Daar alleen ben ik veilig. Als ik met de vleugelen van het gebed op die hoogte mag komen, valt alle zorg op Hem. Luister maar naar het woord van deze vliegende duif in vers 23: ‘Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele.’

Amen.

Ds. M. van Sligtenhorst