“En David bouwde aldaar den HEERE een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Alzo werd de HEERE den lande verbeden, en deze plage van over Israël opgehouden.” (2 Sam. 24:25)

Een welverdiende straf

Hij was gewaarschuwd door zijn knecht Joab. Toch deed hij het tegen beter weten in. Hij schreef een volkstelling uit. Een zondige begeerte woekerde als onkruid op de bodem van zijn hart. Gods toorn rust op het volk (2 Sam. 24:1) en satan krijgt speelruimte – niet meer dan hij wil – om het hart van David op te stoken (1 Kron. 21:1). Hij bemest het onkruid van de begeerte en bewatert de akker van Davids hart en van het volk. Ondanks een geestelijk advies, zet de koning zijn zinnen op zijn eigen eer en imago. Het woord van David wint het van het woord van dit geestelijke advies van Joab. Wat kan een kind van God vallen. Zijn project van bijna 10 maanden zal en moet doorgang vinden. Hij kan trots zijn als hij hoort dat hij 1,3 miljoen strijdbare mannen in zijn rijk telt.

Als dat allemaal gebeurd is, komt hij plotseling tot bezinning. Wat heeft het hem gebracht? Niets. David komt echter te laat tot bezinning. Tenminste, wat de straf betreft. De profeet Gad bezoekt hem. Hij krijgt zelfs een keuze uit drie straffen. De toorn van God ligt op het volk en op David. Vers 1 van dit hoofdstuk vertelt niet waarom, maar het volk heeft Gods toorn verdiend. Zeven jaar honger, drie maanden op de vlucht voor de vijand of drie dagen onderhevig zijn aan de pest. Wat zou de ergste straf zijn? David en Israël hebben al deze straffen bij elkaar verdiend. En wij met hen anno 2020. Is dat onze persoonlijke overtuiging en belijdenis voor God?

David weet maar een ding: ‘laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de handen van mensen niet vallen.’ (vs. 14)

Drie dagen bezoek van een verderfengel

Engelen zijn gedienstige troongeesten van God. Ze kunnen Gods kinderen te hulp komen in ellendige situaties. Ze kunnen God echter ook dienen in de uitvoering van Zijn straffen. Een engel strekt zijn hand uit naar het volk. Wat een verschrikking. Binnen drie dagen vallen er zeventig duizend slachtoffers. Overal slaat de engel toe met het zwaard van de pest. Hoeveel mensen worden niet in hun ziel doorboord bij het zien van dit verderf en het verlies van hun geliefden? Heel het land is uitgeschakeld. Geestelijk en lichamelijk is men verlamd. Angst en verdriet overheersen.

Wat blijft er nu over van de trots van David? Waar is nu zijn macht? Wat helpt hem een groot leger? Wat brengt kennis en wijsheid van zijn geleerden hem in deze situatie? Niets.

Wat blijft er over van de trotse dwaas van kerk en wereld als God gaat slaan? En we gaan maar door en vernederen ons niet. Of is het bij jou anders?

De plaag was op Hem

De engel strekt zijn hand uit. Het is overal. Er is geen ontkomen aan. Als dit langer aanblijft, dan zal heel het volk binnen enkele weken weggevaagd zijn. God had echter een maat bepaald. Het zou drie dagen duren. Dan zal het dus geen dag langer duren dan Hij in Zijn wijsheid heeft voorgenomen.

Daar gaat de engel. Hij doet wat hij moet doen. Hij komt bij Jeruzalem. Hij staat op het punt om deze stad te slaan. Is het niet in deze stad mis gegaan? Ligt de oorzaak niet hier? De engel verblijft bij de akker van Arauna, de Jebusiet. Hij zal van daar zijn hand uitstrekken tegen Jeruzalem, maar ‘het berouwde de HEERE over dat kwaad (vs. 16).’ David krijgt deze engel zelfs te zien. Het is om hem te verootmoedigen. Hij wordt gedrongen om zich neer te buigen voor de HEERE. Hij doet schuldbelijdenis. Hij is de schuldige. ‘Ik heb gezondigd,…….ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan?’(vs. 17) David bidt voor zijn volk. Wat heeft hij als voorganger van Israël dit volk kwaad gedaan door de volkstelling. David bidt of de straf voor het volk weggenomen mag worden. De HEERE mag hem en zijn familie slaan, want dat heeft hij verdiend.

De plaag mag echter ophouden. Deze plaag zal zelfs voorbijgaan aan David. De engel hoeft zijn hand niet meer uit te strekken en mag zijn werk staken op de akker van Arauna. David moet er een altaar bouwen om te offeren. Arauna is gewillig om alles af te staan wat daartoe nodig is en David is gewillig om alles dat hij van Arauna krijgt toch van hem te kopen, omdat het voor de HEERE is. Brandoffers tot reiniging en dankoffers tot lofprijzing van Gods genade worden gebracht, want de plaag houdt op vanwege het offer.

Deze plaats is zo ontzettend belangrijk. Hier heeft Abraham gestaan. Hier was ooit een ram vastgelopen in een van de verwarde struiken, omdat de HEERE wilde voorzien in een plaatsvervangend offer. Op deze plaats zullen spoedig na deze dingen vele offers worden gebracht op het altaar van het huis Gods.

Het ziet alles op de Heere Jezus Christus. We lezen van Hem, ‘Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.’ (Jes. 53:8)

Waarom houdt het oordeel over Israël op? Omdat God voorzien heeft in een offer waar Hij een welbehagen in heeft. Het offer van Zijn Zoon. Het oordeel van Gods eeuwige gramschap is uitgestort in Zijn heilige en rechtvaardige ziel. Eeuwig wonder.

Er is een plaag in de wereld. Een plaag die wat te zeggen heeft. Een plaag die elk van ons op de knieën moet brengen. Nog is het einde niet, al hebt u misschien vele vragen over de eindtijd en de wederkomst van Christus. God geeft nog uitstel en er is nog ontkoming. Laat de wereld het weten.

Wij mogen bidden of deze plaag weggenomen mag worden, maar niet zonder schuldbelijdenis. We mogen bidden dat deze plaag ophoudt en om bewaring, maar niet zonder de erkenning van het offer van Jezus Christus. David moest een altaar bouwen op de plaats waar het voortdurend offer gebracht zou gaan worden. Zo worden wij geroepen om te leven van vergeving en verzoening aangebracht door Jezus Christus. Al het bidden van de kerk in deze tijd, zonder verootmoediging en zonder de kern van de zaak in het kruis van Christus is slechts toneelspel. Maar een ieder die Zich mag neerwerpen met David voor een rechtvaardig God, ziende op Christus, zal van het oordeel verlost worden, omdat de plaag op Hem geweest is. De grote Herder werd geslagen door het wraakzwaard van de Vader, opdat dat zwaard voorbij zou gaan aan allen die in Hem geloven. Nog is het tijd. Verneder u onder de krachtige hand Gods. Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden. Amen.

M. van Sligtenhorst, V.D.M.