‘En het geschiedde in die dagen’

(Luk. 2:1)

Het evangelie is zo duidelijk, dat het niet uitgebreid verklaard behoeft te worden, maar het moet wel goed beschouwd en bekeken en ernstig ter harte genomen worden. En niemand zal er meer profijt van trekken dan zij, die hun hart erop zetten, alles uit hun hoofd zetten en ijverig erop letten, zoals de zon in stilstaand water zich helder vertoont en dat sterk verwarmt. [..] Als gij daarom hier ook verlicht en verwarmd wilt worden, Gods genade en Zijn wonderen wilt zien, opdat uw hart in brand rake, verlicht, aandachtig en vrolijk worde, zo ga in de stilte en stel u de zaak levendig voor; dan zult ge wonder op wonder ontdekken. Maar om voor de eenvoudigen een begin te maken en hen aan te sporen, zullen we van deze zaak een deel voorstellen, elk mag daarna verder gaan. 

Ten eerste: Ziet hoe heel eenvoudig en ongekunsteld de dingen op aarde verlopen en toch zo hoog geschat worden in de hemel. Op aarde gaat het zo toe: daar is een arm, jong vrouwtje, Maria, in Nazareth, helemaal niet in tel en gerekend onder de geringste burgeressen van de stad. Niemand wordt het grote wonder gewaar, dat zij draagt. Zij zwijgt ook stil, wordt er niet groot mee, houdt zich voor de geringste in de stad. Zij gaat met haar man Jozef op weg, ze hebben misschien geen meid of knecht, maar hij is heer en knecht, zij vrouw en meid in huis, hebben dus het huis laten staan of aan de zorg van anderen toevertrouwd. Nu kan het zijn, dat ze een ezel gehad hebben, waarop Maria gezeten heeft, hoewel het evangelie er niets van vermeldt en het waarschijnlijk is, dat ze met Jozef te voet is gegaan. Stelt u voor, hoe zij onderweg in de herbergen is veracht, die toch waardig was, dat men haar met een gouden koets en alle mogelijke praal vervoerd had. Hoeveel vrouwen en dochters van de hoge heren zijn er niet in die tijd geweest, die in een goed vertrek verkeerden en in hoog aanzien stonden, terwijl hier deze moeder Gods midden in de winter te voet hoogzwanger door het land trekt. Hoe ongelijk gaat het er naar toe. Nu is het immers meer dan een dagreis geweest van Nazareth in Galilea naar Bethlehem in het Joodse land. Ze hebben immers langs Jeruzalem of door Jeruzalem moeten reizen. Want Bethlehem ligt ten zuiden, Nazareth ten noorden van Jeruzalem. Als ze nu te Bethlehem komen, toont de evangelist, hoe zij de allergeringsten, de meest verachten zijn geweest. Ze hebben voor iedereen moeten wijken, totdat hen een stal gewezen werd waar ze met het vee met hetzelfde onderdak, dezelfde tafel, dezelfde kamer en dezelfde slaapplaats genoegen moesten nemen, terwijl menig slecht mens in de herberg aan het hoofdeinde aan de tafel gezeten heeft en zich heeft laten eren als een heer. Niemand merkt noch ziet wat God in de stal tot stand brengt. Hij laat de grote huizen en kostbare vertrekken leeg blijven, laat de mensen eten, drinken en goedsmoeds zijn, maar deze troost en schat is voor hen verborgen. O wat een duisternis heeft er toen in Bethlehem geheerst, dat men zulk een licht niet gewaar geworden is. Hoe duidelijk toont God hier, dat Hij helemaal geen acht slaat op wat de wereld is, bezit en kan. Daarentegen bewijst de wereld ook dat zij totaal niet ziet en acht, wat God is, heeft en verricht: Ziet, dat is het eerste toneel, waarmee Christus de wereld te schande zet, al haar daden, kennis en manier van doen ons als verwerpelijk laat zien, dat haar hoogste wijsheid dwaasheid is, haar beste daden onrecht, haar grootste bezit slechts ongeluk is. 

Wat bezat Bethlehem, toen het Christus niet had? Wat hebben zij nu, die toen alles bezaten? Wat ontbreekt nu Maria en Jozef, ofschoon zij toen geen plaats hadden om een nacht behoorlijk te slapen? [..] Wat gebeurt er nu in de hemel wegens deze geboorte? Zo veracht als ze is op aarde, zo hoog en duizendmaal hoger wordt ze geëerd in de hemel. Als een engel uit de hemel u en uw werk zou prijzen, zoudt gij het niet boven de lof en eer van de hele wereld schatten? Ik geloof niet, dat gij voldoende ootmoed en verachting daarvoor hebben zou. Wat is dat dan voor een eer, dat alle engelen in de hemel zich niet kunnen inhouden van vreugde, maar in lof uitbarsten en het ook arme herders op het veld laten horen, het hun in hun uitbundige vreugde bekendmaken, prijzen en zingen: Wat is de vreugde en eer van allen te Bethlehem, ja van alle koningen en vorsten op aarde, vergeleken met deze vreugde, anders geweest dan vuiligheid en gruwelijkheid, waaraan niemand graag meer denkt, als men deze vreugde en eer aanschouwt? Ziet, hoe rijkelijk God diegenen eert, die door de mensen veracht en gewillig veracht worden. Nu ziet gij, waar Zijn ogen heen zien, slechts in de diepte en in de vernedering, zoals geschreven staat: Hij zit boven de Cherubim en ziet nederwaarts in de diepte of in de afgrond. 

Maarten Luther 

(overgenomen uit een preek over Lukas 2:1-14)